Wat is een autisme spectrum stoornis?
Een stoornis in het autistisch spectrum heeft de naam Autisme Spectrum Stoornis (ASS), ook aangeduid met POS (pervasieve ontwikkelingsstoornis) In het engels wordt POS met PDD (pervasive development disorder) aangeduid. Pervasief komt uit het Latijn en betekent 'diep doordringend'. Iemand met een POS heeft een ontwikkelingsstoornis op meerdere gebieden:
- Stoornissen in de omgang met anderen
- Stoornissen in de communicatie
- Stoornissen in het verbeeldend vermogen
In Nederland heeft ongeveer 1% van de mensen een of andere vorm van een autistische stoornis. Dit is veel meer dan 25 jaar geleden werd gedacht.
Vaak worden drie cognitieve theorieën gebruikt om duidelijk te maken wat de problemen nu precies inhouden; Centrale Coherentie, Executieve Functies en Theory of Mind.
Hieronder staan de drie cognitieve theorieën waarmee beschreven wordt waar leerlingen met een ASS tegenaan kunnen lopen en hoe we daarmee rekening kunnen houden.
Centrale Coherentie (CC)
Kinderen met een autistische stoornis hebben een tekort in de centrale coherentie (samenhang zien). Hierdoor ervaren zij hun leven niet als een film, maar meer als uit allemaal losse foto’s. Ze begrijpen daardoor de essentie van een situatie vaak niet.
- Zij kunnen het grote geheel daardoor niet overzien; zij koppelen ervaringen aan concrete situaties.
- Deze koppeling wordt dan als absoluut gehanteerd ook voor de toekomst.
- Zij zien een situatie als een opsomming van alle details;
- Zij denken in 1-1 relaties (een persoon, plaats of tijd kan onlosmakelijk aan een handeling of woord gekoppeld worden).
Executieve Functies (EF)
Een kind met autisme kan moeilijk zijn zaakjes plannen en organiseren en er niet flexibel mee omgaan.
- Wat moet ik eerst doen en wat daarna?
- Ze zijn star in hun planning, als er iets tussen komt zijn ze op zijn minst van slag.
Theory of mind (TOM)
Kinderen met een autisme spectrum stoornis hebben allemaal moeite (de één wat meer dan de ander) om zich in de binnenkant van de ander te verplaatsen. Dat de ander plannen, ideeën, meningen en gevoelens heeft is hen vaak niet duidelijk. Laat staan dat zij ermee rekening kunnen houden. Daarnaast hebben zij ook moeite om hun eigen binnenkant te begrijpen en te verwoorden.
- Hierdoor is er geen of een beperkte wederkerigheid in het contact, er is sprake van éénrichtingsverkeer
- Dit geeft veel sociale problemen
- Waardoor het moeilijk is om vriendschap te sluiten en te onderhouden
Waar we rekening mee kunnen houden
Leerlingen met een ASS kunnen over- of ondergevoelig zijn in de waarneming met zintuigen. Het is voor de situatie thuis en op school handig om te onderzoeken of dit bij een leerling speelt, zodat er rekening mee gehouden kan worden.
Zien- binnenkomende prikkels kunnen overweldigen. Voorbereiden op wat komen gaat kan het verwerken van de prikkels makkelijker maken. Oogcontact mag je als ouder, begeleider of docent nooit afdwingen.
Voelen- aanraking kan heel vervelend zijn voor autisten. Rekening houden met de persoonlijke ruimte is dan ook belangrijk.
Ruiken en horen- geuren en geluiden kunnen ook heel storend zijn als een leerling daar heel gevoelig voor is. In het algemeen is een prikkelluwe omgeving het beste.
Beelddenken- leerlingen met autisme zijn vaak beelddenkers. Woorden zijn lastiger te begrijpen dan beelden en plaatjes. Hierdoor wordt het ook vaak aangeraden om in leerprocessen visuele ondersteuning te gebruiken. Op school wordt vaak mondelinge instructie gegeven; het is handig om puntsgewijs de instructie op papier te hebben. In thuis situaties worden vaak lijstjes voor dagelijkse taken opgehangen of wordt gebruik gemaakt van pictogrammen. Problemen met dingen vergeten als in agenda kijken, boeken en brood inpakken etc. kun je hiermee (deels) verhelpen.
Papagaaien- leerlingen met autisme zijn vaak heel goed in het onthouden van dingen. Ook in datgene wat een begeleider zegt. De leerling kan het gebruiken op een ander moment in antwoord op vragen. Maar de valkuil is dat de leerling zich de woorden niet heeft eigengemaakt. Controle door doorvragen is hier extra belangrijk.
Ondertitelen- vanwege een tekort aan TOM kunnen leerlingen soms niet inschatten wat een gebeurtenis inhoudt. Door duidelijk te benoemen wat er gebeurt, te vertellen wat de gebeurtenis betekent en hoe je je daarbij voelt, kan de samenhang voor de leerling duidelijk worden.
Tips voor communicatie:
- Wees duidelijk en voorspelbaar
- Eerst zijn verhaal volgen, dan pas kan hij jou volgen
- Liever een opdracht dan een vraag
- Vriendelijk maar beslist
- Benoem duidelijk en concreet wat je wilt
- In manier van doen en praten geen twijfel laten bestaan
- Ondertitelen van gedrag en de situatie
- Waarom-vragen vermijden
- Grapjes komen vaak niet aan, sarcasme zeker niet
- Hulp bij draad van het verhaal vasthouden
- Niet in discussie gaan
- Eigen emoties in bedwang houden
- Uitleg op feiten, regels en afspraken, niet op inzicht of gevoel
- Als je geen duidelijkheid kunt bieden, geef aan wanneer wel
- Geef denktijd om informatie te verwerken
- Ondersteun communicatie visueel
- Zoek de vraag achter de vraag
- Kom beloftes nauwgezet na en binnen de afgesproken tijd
