Studiekring Manier van Werken

Elke leerling heeft talent. Talent om te leren, om zichzelf te ontwikkelen en talent om verder te komen. Helaas zijn de voorwaarden om persoonlijk talent te laten bloeien niet bij iedereen even goed aan het licht gekomen. Omdat iedereen verschillend leert en op verschillende manieren in elkaar zit heeft iedereen ook een andere vorm van begeleiding nodig. Uiteindelijk moet bij elke leerling elke voorwaarde om tot talentontwikkeling te komen goed vertegenwoordigd zijn.

Studiekring heeft onderzoek verricht in samenwerking met o.a. de Universiteit Utrecht en professionals op het gebied van onderwijsontwikkeling om te bepalen uit welke elementen begeleiding zou moeten bestaan. Hieruit is het SMW-model gekomen: de basis voor de manier waarop de Studiekring begeleidt.

Het model kan gezien worden als een weergave van de individuele mogelijkheden tot ontwikkeling van een leerling. De kern van het model is de talentontwikkeling van de leerling. De overlappende stukken daar direct omheen zijn de drie belangrijkste resultaten die we bij een leerling bereiken willen: Discipline, Resultaat en Zelfvertrouwen - in de volksmond kortweg Dr. Zelfvertrouwen. Deze drie resultaten zijn onderling opgebouwd uit losse elementen die in de drie buitenste gebieden weergegeven staan. Deze elementen hebben we gebaseerd op de drie basisbehoeftes welke bijdragen tot de ontwikkeling van talent (in de breedste zin van het woord) zoals geformuleerd door de Duitse ontwikkelingspsycholoog Erik Erikson: Competentie, Omgeving en Autonomie.

Talentontwikkeling

Het talent van iedere leerling is uitgangspunt bij de manier van begeleiden op de Studiekring. Piaget stelde al dat kinderen in een poging de wereld begrijpelijk te maken op natuurlijke wijze groeien en zich ontwikkelen. Kinderen zijn van oorsprong nieuwsgierig. Ook het Montessori onderwijs is gebaseerd op een vergaande zelfstandigheid en vrije keuze van kinderen, dat ervoor zorgt dat leerlingen zelf op onderzoek uitgaan. De begeleider stelt zich volgend op. Cognitieve hulpmiddelen vanuit de omgeving, kunnen leerlingen stimuleren. Door middel van het aanbieden van iets moeilijkere taken kunnen leerlingen uitgedaagd worden, volgens Vygotsky. De taak van de begeleider is aan te sluiten bij het leerproces van de leerling.

Drie basisbehoeften

Het model is gebouwd op de drie basisbehoeften waaraan voldaan moet worden om talentontwikkeling volledig tot zijn recht te laten komen. Die verdienen kort nadere toelichting:

Omgeving

Het gaat hier om alle externe factoren die invloed hebben op de talentontwikkeling van het kind. Door Erikson wordt deze behoefte 'relatie' genoemd. Hiermee wordt bedoeld: de relatie tussen leerling en omgeving, de behoefte tot contact en de behoefte om ergens bij te horen.

Omgeving bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Leeromgeving: dit is de fysieke werkplek van de leerling. Er moet voldoende ruimte en rust zijn en voldoende mogelijkheid tot persoonlijke invulling van de werkplek;
  • Sociale omgeving: dit is de communicatie vanuit de leerling en naar de leerling. Een veilige sociale omgeving waar leerlingen zich gewaardeerd en op hun gemak voelen en waar ze extern gemotiveerd worden;
  • Structuur: een kernbegrip in de begeleiding van Studiekring. Er is een dagelijkse routine met veel aandacht voor planning en structurering van leerwerk. Onderzoek heeft aangetoond dat structuur zowel de motivatie als de prestatie van leerlingen positief beïnvloedt.

Zelfstandigheid / autonomie

Dit behelst alle interne factoren die invloed hebben op de ontwikkeling van het kind. De Commissie Tieneropvang heeft aangetoond dat leerlingen uit het middelbaar onderwijs steeds meer invloed op hun eigen leven willen uitoefenen. Hiervoor hebben ze zelfkennis-zelfinzicht nodig (meta-cognitieve kennis). Autonomie hebben we verder als volgt onderverdeeld:

  • Interne motivatie (willen): Piaget en Montessori zijn het erover eens dat leerlingen van naturen willen leren. Soms zijn er een hoop externe factoren die ervoor zorgen dat dit niet meer het geval is. Vaak weten leerlingen niet meer 'waar ze het voor doen'. Daartoe moeten we ze soms het belang uitleggen van wat ze leren;
  • Verantwoordelijkheid (doen): als leerlingen gemotiveerd zijn kunnen ze aangesproken worden op hun eigen verantwoordelijkheid. Ze moeten gehoor kunnen geven aan de acties die uit hun eigen keuzes voortkomen ("als jij over wilt naar de volgende klas moet je daarvoor wel werken");
  • Zelfkennis (weten): dit heeft alles te maken met keuzes kunnen maken en met feedback kunnen geven en krijgen. Leerlingen worden bij de Studiekring continu gestimuleerd om na te denken over wat ze willen.

Competentie

Dit is het meest bekende deel van de begeleiding. Het gaat om alle aspecten die ervoor zorgen dat een leerling kennis opdoet en leert leren. We hebben het als volgt onderverdeeld:

  • Studievaardigheden: geen leerling leert op dezelfde manier, wel zijn er een hoop vaardigheden die het leren kunnen helpen. Die krijgen bij de Studiekring veel aandacht;
  • Leerproblemen: veelal worden de kwaliteiten van leerlingen overschaduwd als gevolg van problemen die het leren beïnvloeden. Het betreft hier faalangst, concentratieproblemen en problemen die ontstaan als gevolg van aan autisme verwante stoornissen. Een specifiekere aanpak is dan op zijn plaats.
  • Curriculum: hier gaat het om de concrete vaardigheden die nodig zijn om de middelbare school te doorlopen. Er wordt los aan de verschillende vakken veel aandacht besteed. Vakoverstijgend kijken we extra naar taalvaardigheden en denkvaardigheden.

Bronnen: Crain, W. (1980) Theories of development, concepts and applications. Prentice Hall, New Jersey.